Het persbericht trapte vorige week enthousiast af. ICT~Office wilde, als belangenbehartiger, duidelijk maken dat de softwaresector echt koploper is van de Nederlandse kenniseconomie:
De Nederlandse softwaresector draagt jaarlijks voor 17,3 miljard euro bij aan de Nederlandse economie en behoort daarmee tot de koplopers van innovatieve bedrijvigheid van onze kenniseconomie. Dit is één van de conclusies uit het rapport ‘De softwaresector in Nederland’ van onderzoeksbureau Dialogic, dat heeft uitgezocht hoe belangrijk softwareproductie en de dienstverlening op software voor de Nederlandse economie is. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van ICT~Office, de brancheorganisatie voor IT, Telecom, Internet- en Officebedrijven.
Het rapport is gratis te downloaden en het is de moeite waard er een kritische blik op te werpen. Want de onderzoeker hebben ook gekeken naar de bijdrage van open source:
Een kwart van de bedrijven in de softwaresector gebruikt eindproducten die gedeeltelijk of volledig open source zijn. De Nederlandse softwaresector ontleent zijn kracht aan de optelsom van open source en closed source softwareproducten en -diensten. Vooral de combinatie van beide leidt tot nieuwe producten, waarvan de investering moet kunnen worden terugverdiend met een passend businessmodel. Maar liefst 23 procent van de omzet komt uit nieuwe of verbeterde producten. Het gemiddelde in andere sectoren ligt op slechts 10 procent. Dat maakt de Nederlandse softwaresector tot een zeer innovatieve sector.
Wat heeft het onderzoek naar voren gebracht over open source, en wat hebben ‘wij’ daaraan?
Achtergrond van het onderzoek
Het onderzoek is uitgevoerd door Dialogic, in opdracht van ICT~Office. Dialogic beweegt zich met haar onderzoeken op het gebied van de kenniseconomie. ICT~Office wilde een onderzoek om aan te tonen wat de omvang en betekenis van de softwaresector in Nederland is. De gevoelde noodzaak voor dit onderzoek kwam niet uit de lucht vallen. In de notitie (PDF) ‘Software als een product. Grote kansen voor een klein land’ (2008) haalde ICT~Office fel uit naar het Centraal Planbureau, het ministerie van Economische Zaken en het Nederlandse open source beleid. De softwaresector voelde zich onbegrepen, ondergewaardeerd en benadeeld. Het CBS verzamelt niet de juiste cijfers en daardoor is de bijdrage van de sector aan de economie niet goed in beeld.
De opdrachtgever en open source
ICT~Office is van mening dat het Nederlandse opensource-beleid veel te beperkend is, getuige bijvoorbeeld ook hun reactie van 4 maart 2009:
Volgens het actieplan Nederland Open in Verbinding van het ministerie van Economische Zaken, hebben overheden de keuzevrijheid tussen het gebruik van open source of closed source software. De overheid lijkt echter geen mogelijkheid onbenut te laten om aan te geven dat open source software de voorkeur heeft. Ze beïnvloedt daarmee direct de marktwerking en gaat voorbij aan het economisch belang van de softwaresector als geheel.
De boosdoener was, opnieuw, het Centraal Planbureau, ditmaal met de literatuurstudie ‘Competition, innovation and intellectual property rights in software markets’ (PDF). In deze studie werd aangegeven onder welke condities de overheid sturend en prikkelend moest optreden om leveranciersonafhankelijkheid te realiseren en welke rol het stimuleren van open source software daarbij kon spelen.
De belangenbehartiger stelt dat het een én-én verhaal moet zijn. Én gesloten software, én open source software. In de notitie van 2008 worden met name Centric en soortgelijke bedrijven naar voren geschoven, want die voelen zich het sterkst bedreigd. Centric c.s. hebben een sterke positie op de overheidsmarkt en daar valt dus veel te verliezen als de overheden echt werk van open source maken. Sinds 2008 zijn helaas ook genoeg incidenten naar voren gekomen van overheden die bij hun open source beleid gefrustreerd werden door de vendor lock-in bij met name Centric.
Bij mij is de afgelopen jaren het beeld blijven hangen van een organisatie die vooral de belangen van de traditionele softwarebedrijven met hun gesloten software behartigd. Het omzichtig geformuleerde manifest voor leveranciers open standaarden (PDF) past mijns inziens in die lijn (al is, voor alle duidelijkheid ICT~Office daar geen directe partij bij).
Het ‘Wij van WC-eend – voorbehoud’
Noem het een eigenaardigheid, maar zeker binnen de ICT zet ik per definitie vraagtekens bij onderzoeksrapporten die betaald worden door de direct belanghebbenden. Te veel rapporten hebben het aura van onafhankelijk onderzoek, maar de conclusies blijken dan toch wel erg makkelijk te passen bij de commerciële en politieke doelstellingen van de opdrachtgever. Dat zou prima te ondervangen zijn door het toevoegen van wat meer transparantie over de opzet van het onderzoek, de geldstromen, het beschikbaar stellen van de resultaten als een open dataset en door aan te geven welke wijzigingen op verzoek van of na overleg met de opdrachtgever in het eindrapport zijn aangebracht. Een lijst van bedrijven die aan het onderzoek hebben meegewerkt zou bijvoorbeeld ook prettig zijn, want dan kun je de representativiteit van de steekproef controleren. Dit is nog niet gebruikelijk, helaas.
Het onderzoeksrapport geeft via een kaartje wel aan waar de bedrijven uit de steekproef gevestigd zijn, tot welke sectoren ze behoren en heeft de vragenlijst in het rapport opgenomen.
Goed, genoeg over de context en de voorbehouden waarmee ik naar het rapport ben gaan kijken. Wat zeggen de onderzoekers over open source?
Bevindingen rond open source
Het rapport maakt grofweg een onderscheid tussen bedrijven die software ontwikkelen, produceren en uitgeven (SBI code 6201) en bedrijven die zich met advisering bezig houden (SBI code 6202). Voor deze twee groepen bedrijven samen ziet hun activiteiten- en dienstenoverzicht er als volgt uit:
65% doet helemaal niets met open source, 7% stelt dat hun producten en diensten 100% open source zijn en 4% grotendeels. Dan hebben we nog 10% nauwelijks van toepassing en 14% die zegt dat hun producten en diensten deels open source zijn. De bedrijven die software ontwikkelen beschouwen hun producten en diensten eerder als open source dan de adviseurs dat doen, maar dat verschil maakt volgens de onderzoekers in het algehele beeld weinig uit (p. 21-23)
SaaS, software-as-a-service, is een van de ‘buzzwords van deze tijd’. Gezien de beschikbaarheid van solide open source tools voor online-activiteiten (welke dienst is er niet groot mee geworden), mag de volgende constatering in het rapport opvallend worden genoemd (p. 24):
SaaS wordt vooral gebruikt door bedrijven die productsoftware leveren (r=0,22). Opvallend is dat bedrijven die SaaS als businessmodel hebben, minder gebruik lijken te maken van open source componenten dan andere bedrijven (r=-0,16).
Open source wordt vervolgens uitgediept in samenhang met hybride software (hoofdstuk 3.5). De onderzoekers maken onderscheid door open source enerzijds als licentiemodel te beschouwen (wat zij beperkend vinden) en anderzijds als input/output-model. Input gaat dan over het gebruik van open source software om producten en diensten te ontwikkelen, output over de inkomsten uit deze producten en diensten.
De inputkant is dan nog wel in beeld te brengen:
Aan de inputzijde is het aandeel van open source eenduidiger te meten. Eerst is gevraagd welk aandeel van de software in eigen beheer (intern) is ontwikkeld. Vervolgens is voor het restant (‘extern’) gevraagd welk percentage onder (proprietary) licenties is ingekocht, en welk deel als open source is verkregen. We treffen dan vergelijkbare percentages aan als aan de inputzijde: 11,5% voor het totaal en voor de softwareproducenten, en 10,3% voor de consultancybedrijven. (p.25)
Dit zijn geen spectaculaire cijfers, maar het past wel bij het beeld dat we breder hebben over het gebruik van open source software in Nederland. We hebben wellicht één van de meest ambitieuze beleidsplannen ter wereld, op het gebied van daadwerkelijk gebruik bungelen we onder aan de verschillende ranglijsten. De onderzoekers doen vervolgens een veronderstelling waar ik toch echt vraagtekens bij zet:
In de cijfers blijft verscholen hoeveel van de intern ontwikkelde software als open source kan worden aangemerkt. Het is waarschijnlijk dat een deel van de software die intern wordt ontwikkeld, ook als open source kan worden aangemerkt. De schatting van het aandeel van 11% voor Nederland is dus waarschijnlijk aan de lage kant. (p. 25)
Toegegeven, een BSD-licentie maakt het bijvoorbeeld mogelijk om open source software ‘opgesloten’ verder te verspreiden. Maar dan is op zijn minst bekend dat de software onder de BSD-licentie, een bekende open source-licentie, beschikbaar is. Als je zo’n uitspraak doet, dan verwacht ik op zijn minst een onderbouwing, al was het maar een verwijzing naar studies elders die dit ondersteunen. Zo’n verwijzing ontbreekt.
En daar blijft het niet bij, getuige het volgende citaat:
In theorie valt de tweedeling tussen closed source en open source grotendeels samen met de tweedeling tussen producten en diensten. Dat wil zeggen, bedrijven die hun producten volledig als open source aanbieden, zullen geen inkomsten hebben uit de verkoop van hun software. De praktische werkelijkheid toont dat bedrijven een significant deel van hun software als open source verkrijgen, deze combineren met eigen (proprietary) software en het softwareproduct vervolgens in de markt plaatsen als een closed source softwareproduct. Zo zijn er meer bedrijfsmodellen die gebruikmaken van open source software waarvoor de theoretische tweedeling tussen open en closed source niet opgaat. (p. 26)
Dit klopt gewoon niet. In theorie is er geen enkele belemmering of bezwaar om open source software als product te verkopen. Dat de deelnemers aan het onderzoek kiezen voor een hybride model, waarbij ze open source gebruiken als component in het uiteindelijke gesloten product, wil niet zeggen dat er geen aanbieders zijn van uitsluitend open source producten en diensten. Dit zijn twee opmerkingen die dus veel te kort door de bocht zijn geformuleerd. Evenals de volgende overigens:
Er zijn zelfs enkele bedrijven die hebben aangegeven al hun inkomsten uit de verkoop van software te halen en tegelijkertijd stellen dat hun producten 100% open source zijn. Juridisch is dat niet mogelijk. Een mogelijke verklaring is dat abonnementen waarop de gebruiker van open source zich inschrijft, ook worden gezien als de verkoop van software. (p. 27)
Juridisch is er niks op tegen om producten te verkopen die 100% open source zijn en daar al je inkomsten uit te halen. Het zou wel interessant zijn te weten welke bedrijven dat precies zijn, maar ja, dan moeten we over de open dataset beschikken. Maar de uitspraak van de onderzoekers is dus gewoon fout.
Het gebruik van open source software heeft een positief verband met zowel het aanbieden van maatwerksoftware als het doen aan onderzoek en ontwikkeling.
Los van het voorkomen van hybride vormen is een opvallend gegeven dat bedrijven die relatief veel open source gebruiken, significant meer dan gemiddeld aan onderzoek en ontwikkeling (O&O) lijken te doen. Let wel, het betreft hier slechts een zwakke relatie waarbij daarnaast de onduidelijke begrenzing tussen softwareontwikkeling en O&O mogelijk een rol speelt. Er staat dan dat bedrijven die relatief veel open source gebruiken, relatief vaak aan softwareontwikkeling doen. Dat is geen onlogische relatie. Tenslotte is de volgorde van de relatie onbekend. Het kan zo zijn dat het gebruik van open source tot meer O&O leidt. Het kan ook zo zijn dat bedrijven die relatief veel aan O&O doen, meer dan gemiddeld gebruikmaken van open source. De laatste relatie is, gegeven de populariteit van open source binnen de academische gemeenschap, ook niet onlogisch. (p. 26)
Die laatste uitspraak is dan weer jammer, want het is maar de vraag of je dit voor Nederland wel zo krachtig mag stellen.
In de managementsamenvatting krijgt open source een stevige plaats (p. 5):
Software wordt voor ruim driekwart binnen of in opdracht van het eigen bedrijf ontwikkeld. Het overige kwart is gebaseerd op componenten die zijn ontwikkeld door derden en worden verwerkt in eigen software. Van de externe componenten is 54% afkomstig van closed source en 46% van open source licenties.
Ik vind dat een leuk gegoochel met getallen. Snel scannend zie je ‘46%’ en ‘open source licenties’, en dat maakt een vluchtige lezer erg gelukkig. Het betekent wel dat de Nederlandse softwaresector voor 88,5% gebruikt maakt van gesloten componenten.
Een kwart van de bedrijven in de softwaresector heeft eindproducten of –diensten die gedeeltelijk of volledig open source zijn. Veel bedrijven die open source producten leveren, bieden daar maatwerkdiensten bij aan.
Dit noem ik een gevalletje handig optellen. 7% van de respondenten zegt 100% aan open source te doen (maar daar worden door de onderzoekers toch vraagtekens bij gezet) plus 4% grotendeels. Maakt samen 11%. Daar worden dan de bedrijven bij opgeteld die zeggen deels met open source bezig te zijn (14%). Ik vraag me af hoe deze bedrijven zouden scoren op de ‘scorecard voor open source’?
Maar goed, laten we niet al te moeilijk doen. Een kwart van de bedrijven is dus met open source bezig, en daarmee is voor het eerst ook in beeld gebracht dat open source software een duidelijke plaats heeft in de Nederlandse software economie.
Conclusies
De winst van het onderzoek is dat nu een beeld is ontstaan van de wijze waarop de Nederlandse softwaresector met open source om gaat. Jammer genoeg worden de statistische gegevens omgeven door uitspraken die òf te kort door de bocht gaan òf de plank mis slaan. De twee constateringen dat bedrijven ‘verborgen open source’ in het bedrijf gebruiken en open source componenten vooral worden gebruikt voor nieuwe gesloten software maken me niet vrolijk. In beide gevallen wordt hergebruik nauwelijks tot niet gestimuleerd en dat is toch een van de onderliggende beginselen van ook open source software. In die zin bevestigt het rapport ook het beeld dat de traditionele Nederlandse softwarebedrijven in overgrote meerderheid weinig van ‘open’ willen weten, en derhalve geen prettige partijen moeten zijn in de onderhandeling naar meer gebruik van open standaarden en open source software.


