Voor de eerste drie edities van het Open Source Jaarboek was dat nauwelijks een zinvolle vraag. Die edities werden door respectievelijk de programmabureau’s OSOSS en NOiV uitgedeeld aan de bezoekers van de jaarcongressen. En daarmee kreeg een fors deel van het open source wereldje het boek gratis in handen. Voor de editie 2009-2010 was dit om verschillende redenen niet mogelijk en is het aan ieder afzonderlijk om een exemplaar aan te schaffen. Dat is misschien even wennen, want waarom zou je het boek nu eigenlijk moeten kopen?
Als redactie zijn we begonnen met de werkzaamheden voor het Open Source Jaarboek 2010-2011. Het valt me op hoeveel belangstelling er is als auteur een actieve bijdrage te leveren aan het jaarboek. Er zijn meer aanmeldingen dan we plaats hebben in het boek en we praten ook over goede en solide onderwerpen. Het Open Source Jaarboek heeft zo te merken een duidelijke plaats verworven als een publicatie waar niet de waan van de dag rond ‘open’ centraal staat, maar ruimte is voor gedegen beschouwingen over een onderwerp dat ons na aan het hart ligt.
Dit lijkt me al een goede reden om iedere editie van het jaarboek aan te schaffen. De bijdragen in het jaarboek nodigen uit tot een kritische beschouwing. Het is niet voor niets dat we voor de editie 2009-2010 het volgende citaat van Karl Popper als leidraad hebben gekozen:
What is needed, what must be added to our dreams of a good society is, more than anything else, hard critical thinking. But it seems that hard critical thinking is painful and unpopular. (Karl Popper, For a better world, 1973)
Maar besef ook dat het publiceren van het Open Source Jaarboek simpelweg geld kost. Waardering voor de publicatie zonder het boek daadwerkelijk aan te schaffen brengt de continuïteit van de serie in gevaar. Wat staat in deze editie dat de aanschaf de moeite waard maakt?
Een politieke duiding
Het open source en open standaardenbeleid kan op een brede politieke steun rekenen al lijkt het initiatief toch vaker aan de linkerkant van het politieke spectrum te liggen. Alexander Pechtold laat in het voorwoord zien dat dit niet helemaal het geval is. D66 was al vroeg bij het onderwerp betrokken en hij acht open source software essentieel voor een moderne overheid:
Mijn partij maakt zich al sinds haar oprichting hard voor een open en transparante democratie. Binnen die democratische processen is het verkrijgen van inzicht in gegevensverwerking van groot belang. Daarom is het belangrijk dat de overheid toezicht kan houden op de uitvoering van wetten en zelf de broncode kan inspecteren. Bij closed software is het niet mogelijk om te zien wat er met vertrouwelijke gegevens in het systeem gebeurt. Bij gebruik van OSS software is dit wel mogelijk.
In de editie 2008-2009 stond een interview met Ineke Schop, hoofd van het programmabureau, en dat deed nogal wat stof opwaaien. Hans Sleurink vindt het jammer dat met de discussie een aantal waardevolle uitspraken van Ineke onderbelicht zijn gebleven, zoals:
Tussen beleid en uitvoering hoort een dialectiek te bestaan en die wordt voor dit onderwerp natuurlijk georganiseerd via het programmabureau noiv.
In een interview met Kees Vendrik en Arda Gerkens wordt die dialectiek alsnog opgepakt. Zij constateren onder andere dat het ministerie van Economische Zaken te weinig zeggenschap of doorzettingsmacht had. Maar het bredere verhaal is wellicht dat ICT helemaal niet zo belangrijk wordt gevonden. Zo stelt Vendrik:
Het is een optelsom van een reeks stoplichten die allemaal op oranje of rood staan. Stoplicht één: aanbestedingsbeleid is een vergaande autonome bevoegdheid van het gezag dat erover gaat,: gemeenten, provincies, departementen, uitvoeringsinstellingen, die hebben allemaal hun eigen toko, en daar is het geparkeerd bij beheer. Stoplicht twee: er zijn al zat regels, formele regels voor aanbesteding, kom niet aan met nog meer regels, val me niet lastig. Stoplicht drie: als het specifiek gaat over ict dan hebben de bestuurders van de departementen, de zbo’s, agentschappen, gemeenten, provincies soms last van gebrek aan kennis. Ze beschouwen het als techniek, dus dat zit ook tegen.
Verder is het niet als een politieke topprioriteit benoemd, ook al vond de Kamer dat in 2002 unaniem. Het is niet een motie die op de deur van het Torentje gespijkerd is, nog niet. Dan wordt die motie vervolgens in uitvoering gegeven bij een goedbedoelende staatssecretaris, die op een departement zit dat hooguit bevoegd is om een beetje mee te denken. En meedenken in Den Haag betekent ‘je er niet mee bemoeien’, geen zicht op resultaat, maar hooguit op intentie. En dan kom je dus terecht in de donkere wereld en het zwarte gat van het integrale beleid. Hoe vaak hier in Den Haag niet wordt geroepen: ‘We gaan het integraal aanpakken’, en dan weet ik na twaalf jaar Kamerlidmaatschap, dat is een garantie dat er niets van terecht komt.
De taaie realiteit
Wilma Willems, werkzaam bij het Programmabureau NOiV, schrijft in het hoofdstuk ‘Op weg naar doorbraken’ over de taaie realiteit van het uitvoeren van het actieplan Nederland Open in Verbinding. Er zit wat haar betreft wel beweging in. Overheden hebben geen moeite met open source software mits het maar voldoet aan de gestelde eisen. Over het nut van open standaarden hoeft geen discussie meer gevoerd te worden, maar het implementeren daarvan is een langdurig proces. Wilma bepleit realisme, ook bij het volgende onderwerp op de agenda:
Nu open standaarden en open source software op ieders agenda staan, dienen ‘open data’ zich aan als volgend politiek thema. Laten we daar slim mee omgaan voordat de hype er bezit van neemt.
In ‘Gebrek aan politieke steun vertraagt open source desktop’ is Gijs Hillenius wat minder positief. Hij vraagt zich af hoe het staat met de invoering van open source werkplekken bij de Europese overheden en kan niet enthousiast zijn over wat hij aantreft. Europese ambtenaren werken nauwelijks met open werkplekken:
Samengevat werken alle vijftien miljoen ambtenaren in de Europese Unie op hetzelfde besturingsysteem (JSt: En dat is niet Linux of Mac OS X). Wat zei ook alweer de toenmalige Eurocommissaris voor concurrentie Neelie Kroes, in 2008? ‘We moeten slim zijn als we technologie aanschaffen. We moeten ons bewust zijn van de kosten op lange termijn van de lock-in: je pint je immers meestal vast ook op latere versies van die technologie, en op andere producten en diensten van diezelfde leverancier.’
Gijs zoomt vervolgens in op de strijd voor open standaarden in ‘De slag om standaarden in Denemarken’. De discussie over de open documentstandaarden ODF en/of OOXML werd in het voordeel van ODF beslist. Gijs geeft een reconstructie van die discussie en laat zien welke rol Nederland speelde. De verantwoordelijk minister Sander zei over de keuze voor ODF:
Het is mijn ambitie dat we nu alleen nog maar communiceren middels open standaarden. Dit besluit moet niet gebaseerd zijn op symboliek en op principes. Het moet vooral een praktisch besluit zijn.
In het hoofdstuk ‘De ‘community’ is belangrijk’ worden drie vertegenwoordigers van open source gemeenschappen aan het woord gelaten: Thomas de Graaff van Ubuntu-NL, Cor Nouws en Simon Brouwer van OpenOffice.org en Tjeerd Brenninkmeijer en Linda Neijenhuis van Hippo. De verhalen laten zien op welke wijze commerciële bedrijven en open source ontwikkel- en gebruikersgemeenschappen met elkaar omgaan. De vraag: ‘Wie zijn de community?’ kan op verschillende manieren worden beantwoord.
Jan Stedehouder stelt in ‘Is meten ook echt weten?’ de vraag of het instrument dat wordt gehanteerd om de voortgang van het actieplan Nederland Open in Verbinding te meten wel geschikt is. Hij constateert tekortkomingen die het gevolg zijn van het gebruik van zelfrapportages, een hoge en sterk verschuivende non-respons (onder andere van overheden die als koplopers beschouwd mogen worden) en de gewichten die aan onderdelen van het meetinstrument worden gegeven. En het wordt duidelijk dat tussen de rapportages van het programmabureau en de informatie die door de verantwoordelijke bewindslieden naar de Tweede Kamer is gestuurd geen overeenstemming is:
Gebruikt het ministerie van Binnenlandse Zaken nu wel of niet ODF als default standaard? Is de vragenlijst onzorgvuldig ingevuld (en moeten de scores voor BZK en V&W naar beneden worden bijgesteld)? Of hebben de invullers van de vragenlijst niet begrepen wat met de vraag werd bedoeld? In ieder geval hebben de staatssecretarissen van EZ en BZK de Tweede Kamer anders geïnformeerd over de feiten dan blijkt uit de rapportage van het onder hun verantwoordelijkheid opererende programmabureau.
Jan Willem Broekema vraagt zich in ‘The Once and Future Systems Manager’ af of en op welke manier studenten in het Hoger Onderwijs met Open ICT te maken krijgen. De situatie is minder dramatisch dan we soms denken, maar er moet ook nog heel wat gebeuren:
Conclusie: in het it-onderwijs kan open technologie ingezet worden om cruciale basisvaardigheden aan te leren: hoe werkt software, hoe maak je het in de praktijk. Daarbij is kennis over de openheid van de technologie, de juridische kant van openheid, niet als eerste relevant. Het gaat om de techniek en de vrijheid om daarin in te grijpen. Dit bevordert de nieuwsgierigheid en brede kennis door de kennismaking met verschillende omgevingen. Het verlaagt de drempel om eens wat anders te proberen. De keus voor ‘open’ is dus relevant voor de kwaliteit van de scholing van de it-student. Op dit punt zouden de opleidingen, in elk geval op hbo-niveau, er goed aan doen structureel samen te werken om zo de kracht van het collectief beter te benutten.
Hoe aansprakelijk ben je als ontwikkelaar van open source software? Wouter Dammers en Menno Weij laten in het hoofdstuk ‘Aansprakelijk voor fouten in (open source) software, of toch niet?’ zien dat het geen uitgemaakte zaak is of je als ontwikkelaar wel of niet aansprakelijk gesteld kan worden.
Natuurlijk, software is een hybride product met veel afhankelijkheden. Toch gaan er wel stemmen op om bij alledaagse, standaard softwareproducten, die ongelijkheid weg te nemen. Argument is dat die software nauwelijks verschilt van consumentenproducten waar je enkel de stekker van in het stopcontact hoeft te steken. Vraag is dan weer wel waar je de grens trekt, dus wanneer er geen sprake meer is van een alledaags softwareproduct. Ook spelen ontwikkelingen als SaaS en Cloud hierin een rol, omdat ook in deze situaties niks meer wordt ‘gekocht’ maar alles in de vorm van diensten geschiedt. Allemaal voer voor juristen.
Vergezichten
Marc Vloemans neemt in ‘Competitie op de commons’ wat afstand van de dagelijkse praktijk van de nog kleine open source onderneming en kijkt naar de toekomst. ‘Open’ als selling-point wordt op niet al te lange termijn vervangen en daar zul je als onderneming klaar voor moeten zijn:
Commerciële oss-partijen zullen een professionaliseringsslag dienen te maken om aan een veranderende markt tegemoet te komen, met name op het gebied van organisatieontwikkeling en marketingstrategie. En ook wat betreft de wijze waarop ze binnen het eco-systeem opereren en traditionele leveranciers tegemoet treden. Alleen dan komen ze voldoende voorbereid in de startblokken om na een fase van marktintroductie te kunnen werken aan marktvergroting.
Het hoofdstuk ‘Menselijke waarden in ICT’ houdt een pleidooi gehouden het systematisch aandacht geven aan waarden bij het ontwikkelproces van ict-systemen en voor het ontwikkelen van internationale open standaarden op het gebied van waarden en ICT. Gerard van Oortmerssen onderzoekt de relatie tussen menselijke waarden en technologie en vraagt zich af of we niet naar open standaarden moeten waarin die waarden zijn vastgelegd:
Waarden spelen een belangrijke rol in ict-systemen en die rol zal in de toekomst nog zwaarder gaan wegen. Op dit moment hebben we vooral met impliciete waarden te maken. Het is gewenst bij het ontwikkelen van nieuwe ict-systemen vooraf expliciet aandacht aan waarden te besteden.
Gezien de toenemende complexiteit hebben we technologie nodig om onze waarden te waarborgen. We zullen de door ons gewenste waarden in moeten bouwen in de technologie. Om dat mogelijk te maken zijn standaarden nodig voor het implementeren van waarden in software. Standaardisatie zal uiteindelijk via een internationaal proces tot stand moeten komen. Nederland kan een pioniersrol spelen bij het op gang brengen van een internationaal proces van standaardisatie van waarden.
Maurice Schellekens schreef in het Open Source Jaarboek 2008-2009 over open standaarden als burgerrecht en onderzoekt in het jaarboek 2009-2010 of open standaarden een plaats moeten krijgen in de Grondwet. In eerste instantie is hij daarover sceptisch, maar al onderzoekend komt hij toch tot een andere conclusie. Wat te doen als een overheid in toenemende mate gebruik maakt van technologie met ‘embedded software’? Wat betekent dit voor de gewenste transparantie van de overheid?
In de inleiding is al genoemd dat ict in toenemende mate wordt gebruikt om overheidsbeleid gestalte te geven. Het zou echter een verkeerde voorstelling van zaken zijn om te zeggen dat de overheid slechts met andere middelen haar werk verricht. ict heeft de actieradius van het overheidshandelen enorm vergroot. De overheid is beter geïnformeerd, is beter in staat het handelen van burgers en de effectiviteit van haar beleid te monitoren. Ze is beter in staat in te grijpen. Veranderingen van beleid kunnen sneller doorgevoerd worden en handhavinginspanningen zijn schaalbaarder geworden. Zonder ict zou het ambitieniveau van de overheid zoals we dat nu kennen gewoonweg niet realiseerbaar zijn. Gegeven de impact van ict is het eigenlijk wonderbaarlijk dat de verantwoordingstructuren weinig mee veranderd zijn, althans waar het gaat om openheid over te gebruiken ict-middelen. Zou het dan gegeven de plaats die ict inneemt niet voor de hand liggen om ook op ict toegesneden openbaarheidsverantwoordelijkheden aan te scherpen?
Wouter Tebbens, Hinde ten Berge en David Jacovkis geven in ‘The Knowledge Society’ een boeiend overzicht van de ontwikkeling van de informatiesamenleving. Wat moet er onder worden verstaan en hoe staan de verschillende vrije kennis-activisten in de discussie? Welke rol spelen vrije kennis, open access, open content en open educational resources in de opbouw van de informatiesamenleving? Welke bedreigingen zijn er? Over subsidies om de informatiesamenleving te stimuleren zeggen zij:
Some however argue that subsidies are a wrong incentive and should not be needed, but then again the patent and copyrights granted are a form of government granted subsidies as well. Sure enough, these funding systems do need certain reforms. One of them is, in our view, the introduction of higher standards of transparency, and the requirement that anyone who receives public funding makes the results available without any restrictive conditions. Policies on research should be adapted so that they recognise the benefits of sharing data, analysis and research results, open access journals and self-archiving, in order to streamline scientific production and peer review, strengthen the dynamics of scientific debate and the immediacy and quality of feedback.
In ‘Organisaties in Beeld’ portretteert Jan Stedehouder ten slotte drie organisaties die in 2009-2010 hebben bijgedragen aan het op de kaart zetten van ‘open’: LPI Nederland, HCC Linux en de open source evangelisten op Curacao.
Verplichte kost
Het Open Source Jaarboek 2009-2010 is, zoals jullie merken, geen lichte kost. Dat zou ook geen recht doen aan het werk dat de auteurs er in hebben gestoken. Ik vond het een groot genoegen met de auteurs samen te werken en hen te helpen (als redacteur) om hun bijdragen naar een hoger plan te tillen. Je moet eens aan hen vragen hoeveel tijd en energie ze in het schrijven hebben gestoken. Zij hebben hun intellectuele kapitaal vorm kunnen geven via het jaarboek om daarmee het open denken in Nederland krachtig gestalte te geven. En dat is misschien de belangrijkste reden om het Open Source Jaarboek 2009-2010 zowel aan te schaffen als te lezen.



[...] Dit blogartikel was vermeld op Twitter door OpenNieuws, Open Trends. Open Trends heeft gezegd: Fragmenten, nieuw artikel – Heb ij het Open Source Jaarboek 2009-2010 al? http://ping.fm/6t8rk [...]
[...] schrijver als redacteur was, samen met Hans Sleurink en Jan Willem Broekema. Het jaarboek is een unieke publicatie, zowel voor het Nederlandstalige domein als wereldwijd. Er zijn maar weinig publicaties die op deze [...]
[...] de bijdrage „Is meten ook echt weten?“ in het Open Source Jaarboek 2009-2010 noem ik twee gevallen waar zowel staatssecretaris Heemskerk (EZ) als staatssecretaris Ank Bijleveld [...]