Hypeocratie

Uitgesteld

Een blanke, in een gekleurde wereld

Uitgesteld

Digitalisering van het onderwijs: opleiden voor digitale onafhankelijkheid

Op 4 juli aanstaande schuif ik aan bij een rondetafelgesprek in de Tweede Kamer over digitalisering van het onderwijs. De sessie wordt georganiseerd door de VVD-fractie. Mijn bijdrage is onderdeel van de sessie “Digitalisering Primair- en Voortgezet Onderwijs”. In de afgelopen jaren heb ik genoeg geroepen over het onderwijs in Nederland en over het belang van digitale geletterdheid. De deelnemers is gevraagd hun bijdrage vooraf te laten gaan door een (korte) position paper (kortom, er moesten keuzen worden gemaakt ten aanzien van de inhoud ;-) ). De titel van mijn paper is: “Opleiden voor digitale onafhankelijkheid” en de integrale tekst staan hieronder.

Opleiden voor digitale onafhankelijkheid

Wat zou de overheid beter, anders, niet moeten doen ten aanzien van “digitalisering van het primair en voortgezet onderwijs? Een goede vraag, maar waar hebben we het dan over:

  1. over het inbedden van nieuwe e-learningtechnologieën welke door Wilfred Rubens op een voortreffelijke wijze in zijn recente boek “E-learning. Trends en ontwikkelingen”[1] (2013) zijn beschreven?
  2. over het anticiperen op de technologietrends van de (nabije) toekomst (denk aan quantified self, bring your own device, 3D printing, e-health, singularity, gamification, internet of things) en het beter toerusten van kinderen en jongeren om daarmee om te gaan?
  3. over digitaal burgerschap, waaronder het opleiden en vormen van jonge mensen tot volwaardige participanten in een samenleving waar de relatie tussen overheid, instellingen, bedrijven en burgers in toenemende mate een digitale relatie is, en hen voor te bereiden op een arbeidsmarkt en economie die alleen nog plaats hebben voor zelfstandig ondernemende professionals die over voldoende digitale startkwalificaties beschikken?

Voor mijn antwoord(en) grijp ik graag terug op de cultuurcriticus Neil Postman die in “Technopoly. The Surrender of Culture to Technology” (1993) bepleitte dat wij de attitude van een verzetsstrijder moeten ontwikkelen:

 A resistance fighter understands that technology must never be accepted as part of the natural order of things, that every technology—from an IQ test to an automobile to a television set to a computer—is a product of a particular economic and political context and carries with it a program, an agenda, and a philosophy that may or may not be life-enhancing and that therefore require scrutiny, criticism, and control. In short, a technological resistance fighter maintains an epistemological and psychic distance from any technology, so that it always appears somewhat strange, never inevitable, never natural.

Postman ziet voor het onderwijs een taak bij het ontwikkelen van deze attitude, niet door meer aandacht te schenken aan technologie (in de brede zin des woords) maar aan een historisch bewustzijn over de ontwikkeling van de mensheid en de rol die wetenschap, techniek en innovatie hebben gespeeld.

In “To save everything, click here” (2013) gaat Evgeny Morozov niet al te zachtzinnig los op het grenzeloze vertrouwen dat ‘we’ lijken te hebben in technologie en haar mogelijkheden om de grote en kleine vraagstukken van onze tijd op te lossen. Net als Postman bepleit hij dat gebruikers van technologie zich tot kritische gebruikers ontwikkelen met een historisch bewustzijn:

 How our digital technologies unfold in the future will be a factor not of how “the Internet” works or how computers work but of how we choose to make them work.

[…]

If, like some of the most prominent adherents of Internet-centrism, we believe that Steve Jobs was the greatest enemy of freedom or creativity, we risk misunderstanding—and even understating—the enemy. To talk about gamification without also discussing B. F. Skinner’s behaviorism or to talk about digital preemption without bring up rational-choice theory and the Chicago school of economics seems misguided; the nearly universal excitement about “the Internet,” mobile phones, and Wikipedia distracts us from noticing that many of the underlying phenomena are anything but new.

Postman en Morozov zijn niet de enigen die in essentie bepleiten dat de mens de controle moet houden over – en zo nodig de controle moet teruggrijpen van – technologie. Soortgelijke gedachten vinden we terug bij Nicholas Carr en Douglas Rushkoff, maar ook – in Nederland-  bij  Arthur Doctors van Leeuwen[2], het Rathenau Instituut[3], het KNAW en Mediawijzer. Het KNAW heeft gepleit voor meer digitale geletterdheid[4], Mediawijzer voor meer mediawijsheid[5].

 Terzijde: het KNAW-advies over digitale geletterdheid is overigens niets te vroeg. Al in het begin van deze eeuw formuleerde de National Academy of Engineering (Verenigde Staten) een definitie van ‘technological literacy’, welke inmiddels is doorontwikkeld tot een uitgebreid raamwerk van leerdoelen, leerinhoud en toetsing op het gebied van ‘technology and engineering’. Ik mag hopen dat de SLO in haar onderzoek naar de meest effectieve acties voor uitvoering van het KNAW-advies dit mee gaat nemen.

 In de definities van digitale geletterdheid (KNAW) en mediawijsheid (Mediawijzer) vinden we eveneens de noodzaak van het ontwikkelen van een kritische distantie ten aanzien van technologie terug. Vertaald naar het onderwijs moet derhalve niet de vraag: “Hoe kunnen we technologie beter inzetten?” centraal staan, noch de vraag: “Hoe kunnen we beter met technologie omgaan?”, maar de vraag: “Hoe kunnen we verstandiger gebruik maken van technologie en begrijpen welke risico’s aan technologie verbonden zijn?”.

Dit maakt dat mijn antwoord[6] op de vraag/vragen is dat de overheid er op de eerste plaats voor moet waken dat de ene na de andere technologiehype maar een plaats moet krijgen in het onderwijs uit angst dat we aansluiting met de rest van de wereld verliezen of onze kinderen niet voldoende toerusten voor de 21e eeuw (niet doen). Mijns inziens zouden de overheid en onderwijsinstellingen zich moeten richten op de fundamenten: de educatieve technologie-architectuur en -infrastructuur; de opleiding van docenten; en, een brede verankering van digitale geletterdheid in het curriculum (doen, anders doen).

Om met het laatste te beginnen. In een samenleving waarin digitale processen vrijwel onzichtbaar volledig geïntegreerd zijn in het dagelijks bestaan kunnen we niet meer volstaan met het aanbieden van een keuzevak Informatica (al dan niet in vernieuwde vorm). Vraagstukken over het hoe, waar en waarom van technologie in de moderne samenleving zullen in alle vakken geïntegreerd maar wel expliciet aan bod moeten komen. Dit vraagt om een vakoverstijgend curriculum met leerlijnen en leerdoelen die dwars door het curriculum heen gaan en verschillende aspecten van digitale geletterdheid benadrukken (doen).

Daarnaast een pleidooi om de drie klassieke, essentiële vaardigheden van lezen, schrijven en rekenen uit te breiden met een vierde vaardigheid: programmeren (doen). Eigenaardig? Nee, Estland heeft – in het kielzog van een massale cyberaanval op haar kritische infrastructuur- besloten om leerlingen in het basisonderwijs al elementaire vaardigheden programmeren bij te brengen. Soortgelijke signalen zijn te vinden in de BRICS-landen en bijvoorbeeld bij het Amerikaanse leger[7]. Basiskennis programmeren draagt bij aan de kritische distantie ten aanzien van nieuwe technologie,maar ook aan het sneller, beter en veiliger benutten van die technologie.

Het tweede punt haakt hierbij aan. Het is niet voor niets dat we in Nederland minimale eisen zijn gaan stellen aan het niveau Nederlands en Rekenen van studenten aan de pabo’s. En we moeten deze lijn doortrekken en een minimumniveau aan digitale geletterdheid verplicht stellen (anders doen). Dit minimumniveau geldt in ieder geval voor studenten aan de docentenopleidingen maar zou ook aangeboden moeten worden als verplicht bijscholingsprogramma digitale geletterdheid voor alle docenten (doen). Een inhaalslag is noodzakelijk, tenzij we de inzet van nieuwe technologie in het onderwijs willen laten frustreren door het terugkerende argument: “Ik heb een collega die niet eens een Youtube-filmpje kan opstarten”.

Het eerste punt, de educatieve technologie-architectuur en -infrastructuur, is wat lastiger maar komt er op neer dat we onderwijsinstellingen voorzien van een blauwdruk en raamwerk met verplichte richtlijnen voor de verdere ontwikkeling van ICT-omgevingen (doen) die in staat zijn om nieuwe technologieën op relatief korte termijn en tegen relatief lagere kosten te incorporeren. Nieuwe technologieën die bijvoorbeeld niet goed integreren met andere technologieën, die educatieve content opsluiten in leveranciersspecifieke ‘containers’ (hardware, software, formaten, diensten) en/of de vrijheid van technologiekeuze van ouders en leerlingen beperken zouden niet langer toegestaan mogen zijn (niet doen).

 


[2] In de Gateway review van het NUP (2010) bepleitte Arthur Doctors van Leeuwen voor meer zorg en aandacht voor dit immense project richting de digitale overheid, vanwege de risico’s op het vergroten van het wantrouwen van de burger in de overheid en het schenden van de rechten van burgers, om vervolgens te constateren dat ‘we’ ons hier nauwelijks druk over maken. http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/kamerstukken/2010/04/01/brief-aan-de-tweede-kamer-met-reactie-op-gateway-review-nup.html

[3] Het Rathenau Instituut stelde in “De autonome burger in de informatiesamenleving” (2013) dat de informatiehuishouding van de overheid burgers maximale toegang en zeggenschap over voor hen relevante informatie moet geven. http://new.kinggemeenten.nl/sites/default/files/document/gr_2631/201301-006-Hand-out-Rathenau-Instituut-TK-cie-ICT.pdf

[7] Het Amerikaanse leger gaat ervan uit dat een soldaat op het slagveld van de toekomst in staat moet zijn om de broncode van wapentuig te debuggen en aan te passen.

2 comments to Digitalisering van het onderwijs: opleiden voor digitale onafhankelijkheid

Fragmenten

"Fragmenten" is mijn persoonlijke website, de plek waar ik schrijf over de projecten en thema's waar ik bij betrokken ben, de boeken waar ik aan werk. In mijn leven probeer ik vast te houden aan wat in Psalmen 34:12 staat: "Wie is de man die lust heeft in het leven, die genoeg dagen liefheeft om het goede te zien?". Of het nu gaat om open ICT, digitale geletterdheid, interculturalisatie, of geloof en spiritualiteit, ik wil er mee bezig zijn om het goede te zien. Dat vereist soms, vaak wellicht, een scherp doordringen tot de kern van de zaak, een kritische beschouwing, het wegblazen van stof en slingers.