Hoe zou ik me voelen als ik verantwoordelijk was voor de uitvoering van een prachtig beleidsprogramma, maar vervolgens (1) merk dat ik nauwelijks instrumenten heb om de doelstellingen te realiseren, (2) mijn opdrachtgever parallelle besluiten neemt die niet bijdragen tot verbetering van de situatie, (3) ik daar ook niet al te veel over mag zeggen in het publieke debat en (4) vervolgens wel wordt afgerekend op het niet behalen van de doelstellingen? In mijn dagelijkse werk, waarbij mijn collega’s proberen een zeer moeilijke groep mensen weer op het rechte pad te krijgen, zou ik dat niet accepteren. Duidelijkheid, eerlijkheid, openheid, het bieden en krijgen van rugdekking en het toerusten met de juiste bevoegdheden en instrumenten zijn zo wat sleutelbegrippen die dan door mijn hoofd schieten. En volgens mij maakt het domein waarop je dan opereert niet zo heel veel uit.

Sympathie én kritiek

Vanuit dit perspectief is er zeker sympathie voor de taaie klus die het Programmabureau NOiV voor de kiezen heeft gekregen, en dan hebben we het nog niet over (5) het gegeven dat grote delen van het overheidsapparaat helemaal niet zit te wachten op open standaarden en open source software en (6) dat diezelfde overheid op het gebied van grote ICT-projecten ook niet echt een ‘triple A’ reputatie hoog hoeft te houden. Die sympathie staat kritiek overigens niet in de weg. Laag voor laag wordt het publiciteitsvernis rond de uitvoering van het actieplan afgepeld en Brenno de Winter speelt daar een grote rol bij. Met zijn WOB Open source, met zijn onderzoek naar de digitale werkplek rijksoverheid, met zijn publicatie over het open standaardenbeleid. Mijns inziens moet de uitvoering van het voorliggende actieplan, zelfs met haar zwakheden, een stuk beter en is dat ook mogelijk. En, dat mag ook gezegd worden, er zit beweging in. Zowel Frans Nauta als Erik Gerritsen zijn aangeschoven bij Open 2.0, er komt een dialoog op gang, er komt reactie op kritiek. In retrospect zal 2009 wellicht niet als beste jaar voor het programmabureau en het actieplan te boek staan, maar dat is niet anders. Het streven naar ‘mooi nieuws’ is ten koste gegaan van een realistische duiding van de reële problemen op de werkvloer van de overheid die een acceptatie en implementatie van het open streven in de weg staan. Nu die sluier grotendeels is weggerukt kunnen we met de brokstukken aan het werk.

Open 2.0 als draaischrijf

Open 2.0 is al genoemd en het is goed te zien dat onze nieuwe hub gestaag groeit. Eerder schreef ik over Open 2.0 het volgende:

Wouter Tebbens heeft in een e-mail bericht het woord ‘hub’ geïntroduceerd voor een soortgelijk platform bij FKI en daarmee wordt in een woord de plaats van Open 2.0 gevat. Het is geen overkoepelend platform, geen grote bijéénbrenger, maar een plek waar kennis, informatie en discussie samen kunnen komen. Open 2.0 ontwikkelt zich tot een nieuw ankerpunt waar vrij, open en transparant de sleutelwoorden zijn. Het begrip ‘hub’ omvat samenwerking, uitwisseling van kennis en informatie, de kans op met wisselende partners projecten op te zetten en grote flexibiliteit. Het is misschien ook maar goed dat Open 2.0 geen paraplu of koepelorganisatie wil zijn. Koepels krijgen al snel een eigen dynamiek, met eigen belangen en dat leidt eerder tot verstarring.

Het is bijzonder te zien hoe snel het concept wordt opgepakt en nieuwe mensen zich aanmelden, voor ondersteuning bij het beheer, voor het ontwerpen van een log, voor het schrijven van eerste bijdragen, voor het aanbieden van hulp. Open 2.0 is daarmee een mooi raamwerk voor een volgend initiatief, de werkgroep NOiV 2.0.

Werkgroep NOiV 2.0

Zoals gezegd, ik ben van mening dat de uitvoering van het voorliggende actieplan beter kan. Maar dat verandert niets aan de structurele zwakheden die in het plan zijn ingebakken. Dat is geen verwijt aan de opstellers. Ik kan mij voorstellen dat de huidige formulering het maximaal haalbare was en gezien de enthousiaste reacties in het buitenland heeft het plan in haar huidige vorm een belangrijke voorbeeldfunctie. Op Open 2.0 schreef ik over die zwakheden:

Het plan gaat erg uit van verleiding, het stimuleren van de goede wil en positieve beeldvorming. Het plan is geformuleerd voor de publieke sector, maar ondertussen is de werkelijke reikwijdte beperkt tot de rijksoverheid (al wordt via omwegen geprobeerd de decentrale overheden, zorg en onderwijs mee te krijgen). De politieke aandacht (lees: de prioriteit op de agenda van de Tweede Kamer) is beperkt. Terugwijzen naar de unaniem geaccepteerde motie Vendrik is mooi, maar die motie is bijna deel van de parlementaire geschiedschrijving.

Degenen die een van mijn presentaties over de haalbaarheid van een open source werkplek hebben bijgewoond weten inmiddels dat ik duidelijkheid en daadkracht belangrijke succesfactoren acht. Duidelijkheid over de doelstellingen, politieke en bestuurlijke ruggengraat bij de uitvoering en geen gedoe over ‘explain’ maar gewoon ‘comply’. Die mening komt niet uit de dikke duim maar is een indikking van de bevindingen vanuit migratieprojecten elders.

Dit actieplan loopt door tot 2011. Het politieke landschap zal op zijn laatst in dat jaar een wijziging ondergaan. Zal er een vervolgplan komen? En welke doelstellingen gaan daar dan in komen? Rustig afwachten lijkt me geen verstandige optie. In de Tweede Kamer staat het open gebeuren niet hoog op de prioriteitenlijst. Arda Gerkens (SP) lijkt zich daar als enige nog druk over te maken. Waar zijn de andere fractiespecialisten? Wie zijn dat eigenlijk? Dat laatste was een vraag die me al tijdje geleden werd gesteld en die ik graag herhaal. Het illustreert de noodzaak om nu te beginnen met investeren in het volgende actieplan, voor het gemak NOiV 2.0 gedoopt.

De Werkgroep NOiV 2.0 wil zich de komende periode bezig houden met (1) het formuleren van realistische doelen rond het gebruik van open standaarden en open source software voor een periode van vijf jaar, (2) het identificeren van noodzakelijke wet-/regelgeving, wijzigingen in sleuteldocumenten en andere maatregelen om daadwerkelijk in de publieke sector die doelen gerealiseerd te krijgen en (3) het voeren van een actieve campagne om die maatregelen hoog op de politieke agenda te krijgen.

Het streven is om een actieplan NOiV 2.0 tot stand te brengen en geaccepteerd te krijgen dat vooral gebaseerd is op realistische ‘comply and commit’.

Al nadenkend over de omvang van het werk begint het wel te duizelen. Wat is er voor nodig om het onderwijs in beweging te krijgen? Hoe doorbreken of veranderen we de rol van de centrale dienstverleners die scholen in de ijzeren greep van een vendor-lock houden? Hoe geven we bredere ICT-vaardigheden een plaats in het basisonderwijs, het middelbaar onderwijs en de lerarenopleidingen? Welke verbeteringen zijn nodig in het open standaardenbeleid, bij de formulering van aanbestedingen? Hoe scheppen we een ‘level playing field’ waarop aanbieders van open, gesloten en hybride oplossingen op gelijkwaardige gronden mogen, kunnen en moeten meespelen? Wat zijn de knelpunten binnen het ambtelijke apparaat? Procesmatig, tussen de oren, digitale geletterdheid? Welke speelruimte is er om decentrale overheden, onderwijs- en zorginstellingen mee te krijgen en hoe kunnen we die speelruimte vergroten? Hoe komen we van ‘comply or explain’ naar ‘comply’, oftewel, hoe halen we de vrijblijvendheid uit het komende actieplan? Wat is realistisch haalbaar?

Nadenken over een nieuwe horizon

Misschien ben ik wat al te optimistisch, maar ik ben ervan overtuigd dat de antwoorden voor het oprapen liggen. Het Programmabureau NOiV moet een beeld hebben van de taaiheid in het meekrijgen van het ambtelijk apparaat en waar die taaiheid uit bestaat. In het open domein zijn heel wat mensen actief die een grote betrokkenheid hebben bij ‘open’ in haar vele gedaanten en die ook niet blind zijn voor de realistische vraagstukken die het nastreven van hun ideaal in de weg staan. Is het zo vreemd als ik bij de discussie over die horizon naast de open gemeenschap ook een ICT~Office of Centric wil betrekken, in het volle besef dat de toekomst over vijf jaar toch hybride is?

In het centrale gedachtengoed van ‘open’ vinden we: ‘If you have an itch, you scratch it’. Goed, het gaat in eerste instantie over de ontwikkeling van software, maar een bredere toepassing is niet verkeerd. Een ander uitgangspunt is: ‘release quick, release often’. Zo kan de werkgroep NOiV 2.0 het beste worden bezien: een vroege formulering van ruwe gedachten over een beter, steviger en realistisch beleid gericht op open standaarden en open source software. Voel je vrij om mee te denken.

Naar aanleiding van onze aankondiging over Open 2.0 op LinkedIn kreeg ik de volgende vraag (de vraag en de daaropvolgende uitwisseling verliep via de persoonlijke berichtendienst van LinkedIn, ik heb dus alle identificerende kenmerken van de vraagsteller verwijderd):

Jan, ik begrijp niet waarom Linkedin niet open is. Iedereen kan zich toch inschrijven? En je hoeft niet alles prijs te geven aan Linkedin (als je dat niet wilt).

Een heldere vraag. Waarom een nieuw platform beginnen als LinkedIn op zich open staat voor aanmelding voor eenieder die dat wil? Mijn antwoord was als volgt:

Ja en nee. LinkedIn is toegankelijk voor eenieder die zich in wil schrijven. Bij de registratie krijg je een kleine collectie vragen voorgeschoteld met de aanduiding dat de informatie verplicht is. Dat is te omzeilen maar dat is niet duidelijk aangegeven. Wij merken nu al dat niet iedereen in het open domein op die vragen zit te wachten.

Om de discussies in een groep te kunnen lezen moet je vervolgens afzonderlijk bij de groep aangemeld zijn. Dat is op zich een kleine drempel maar betekent ook de informatie in die discussie niet open is in de zin van ‘verspreidbaar, deelbaar’. Ik merkte dat direct bij de discussie over de weggevallen consultatiedag tussen het PB NOiV en de open gemeenschappen. Niet alle lezers van mijn blog konden de meldingen in de NOiV LinkedIn groep lezen omdat ze én niet waren aangemeld bij LinkedIn en niet bij de NOiV groep. Kortom, content wordt ‘vastgehouden’ achter twee lagen.

Op de derde plaats is het platform zelf niet open. Ongetwijfeld werkt LinkedIn met API’s maar de broncode is niet beschikbaar en de content valt onder traditionele auteursrecht. Bij promotie van open source en open standaarden wordt dat al snel opgemerkt en krijgen we de vraag “Waarom maken jullie gebruik van een gesloten platform?”.

Open 2.0 draait op een open source platform (Elgg), de content komt onder een open licentie (er moet nog even gekeken worden waar we precies voor kiezen) en alle discussies zijn open in te zien (beter wellicht, zijn publiek). Voor deelname aan de discussies is wel registratie vereist maar dat gaat niet verder dan gebruikersnaam, wachtwoord, e-mail adres. Het invullen van het verdere profiel is optioneel.

Alvorens hier verder op in te gaan eerst even het antwoord van de vragensteller:

Duidelijk(er), Jan. Ik merkte in facebook (voor vrienden en familie) dat ik een hyperlink van fotos toch kan doorsturen (daarvoor hoef je niet bij facebook zijn aangemeld). Daarnaast bemerkte ik dat ik toch vindbaar ben in google, terwijl ik dat niet wil…Open en transparantie heeft zijn grenzen.

Ik zou vermoeden dat Linkedin met open source software is gebouwd. Ik ben van blogspot naar wordpress overgestapt, dat verliep redelijk pijnloos (via een XML standaard). Wat is de standaard die Linkedin zou moeten ondersteunen?

Waar het auteursrecht valt, kan ik niet direct achterhalen. Waarom je Open 2.0 bouwt, begrijp ik niet helemaal. Je bouwt iets na wat er is al is, maar nog niet helemaal voldoende open voor je is? Ik vraag me af hoeveel deelnemers van Linkedin dat zal interesseren.

Volgens is dit wel een interessante casus voor de Open 2.0 gemeenschap. De tweede paragraaf in het laatste antwoord laat mijns inziens zien dat het verschil tussen open standaarden (wat de uitwisseling van gegevens mogelijk maakte) en open source software nog niet goed wordt gezien. Nu wil een deel van de FOSS gemeenschap ook graag dat open source software en open standaarden als een siamese tweeling door het leven gaat, maar dat is natuurlijk niet zo. Het wordt wel vervelend als het gebruiken van een open standaard het beeld gaat opleveren dat de applicatie ook open is. Ik bedoel, Microsoft Office 2007 ondersteunt ook ODF maar is verder een gesloten programma.

De laatste paragraaf moet ook aan het denken zetten. Wanneer is ‘open’ open genoeg? Een soortgelijke discussie ontstond rond mijn boekje ‘Open source en open standaarden. Voor niets gaat de zon op?’. Hoe kan het dat een boekje over ‘open’ zelf niet onder een open licentie is uitgegeven? Een vraag die ik snap en waarop ik wel een antwoord heb. Maar moeten we wel voortdurend een maatstaf neerleggen van wel/niet open genoeg? Of komen we dan terecht bij het ‘continuüm van open’ wat bij de draft van het European Interoperability Framework v2 weer heeft geleid tot het vervangen van ‘open standaarden’ door ‘open specificaties’?

Wat denken jullie?

Dit artikel verschijnt gelijktijdig open Open 2.0, de nieuwe ontmoetingsplek voor vrij en open in Nederland.

Het Open 2.0 platform is nog slechts kort in de lucht (en er wordt nog volop gesleuteld aan de functionaliteiten) maar het is goed te zien dat de nieuwe aanmeldingen gestaag binnen komen. De eerste groepen zijn gevormd, de eerste discussies op gang gebracht. Op de About pagina staat meer informatie over ontstaan en doelstelling.  Wat wil Open 2.0 worden/zijn?

Wouter Tebbens heeft in een e-mail bericht het woord ‘hub’ geïntroduceerd voor een soortgelijk platform bij FKI en daarmee wordt in een woord de plaats van Open 2.0 gevat. Het is geen overkoepelend platform, geen grote bijéénbrenger, maar een plek waar kennis, informatie en discussie samen kunnen komen. Open 2.0 ontwikkelt zich tot een nieuw ankerpunt waar vrij, open en transparant de sleutelwoorden zijn. Het begrip ‘hub’ omvat samenwerking, uitwisseling van kennis en informatie, de kans op met wisselende partners projecten op te zetten en grote flexibiliteit. Het is misschien ook maar goed dat Open 2.0 geen paraplu of koepelorganisatie wil zijn. Koepels krijgen al snel een eigen dynamiek, met eigen belangen en dat leidt eerder tot verstarring.

Vanochtend schoten mij gedachten te binnen over de softwarematige wortels van vrije en open source. In de Unix-wereld was/is geen voorkeur voor grote, alomvattende applicaties, maar wordt liever gekozen voor kleine, specifieke tools die goed kunnen samenwerking. Zo zie ik Open 2.0 ook. Het is vooral van belang dat ieder individu, iedere organisatie, iedere community vooral blijft doen waar hij/zij/het goed in is. Waar de eigen passie voor ‘open’ naar uit gaat. Open 2.0 is het platform om ideeën uit te wisselen, om het gemeenschappelijke te benadrukken zonder het eigene te verliezen.

Voor de korte termijn wordt aandacht gevraagd voor de geplande bijeenkomst van het programmabureau NOiV. Hoe kunnen wij ons als vrije en open gemeenschap het best voorbereiden op 3 december?

Jan Stedehouder Bijdragen beschikbaar onder de Creative Commons BY-NA-SA licentie, tenzij anders aangegeven. Rode, blauwe en groene pictogrammen door Ken Saunders onder Creative Commons Attribution-ShareAlike 2.5 Licentie. Suffusion WordPress theme by Sayontan Sinha

Switch to our mobile site