Mathieu Paapst brengt binnenkort een nieuw boek uit over het werkgeversauteursrecht. Wanneer is de kenniswerker de auteur en wanneer is de werkgever dat? Dat is al een interessant onderwerp.
Mathieu heeft gelijk de Time switch licentie ontwikkeld, een licentie die het traditionele uitgeefmodel en Creative Commons samen voegt. De Time switch licentie geeft aan tot welke datum het creatieve werk onder het klassieke model valt. Na die datum valt het werk automatisch onder een gekozen Creative Commons-licentie. In zijn geval ziet de auteursrechtbepaling er als volgt uit:
Time switch licentie (TS0113/CC-BY)
Alle auteursrechten op dit werk zijn door de auteur voorbehouden tot januari 2013. Na deze datum is op dit werk de volgende licentie van toepassing: Creative Commons, naamsvermelding 3.0
Ik kan me voorstellen dat deze oplossing door de voorstanders van ‘vrije kennis’ niet als ideaal wordt gezien, maar het is een mooie oplossing. Op voorhand is namelijk al bekend wanneer een creatief werk als open content beschikbaar komt.
De nieuwe zoekmachine DuckDuckGo werd deze week gelanceerd met als belangrijkste punt: gebouwd op open source software. Catharina Bethlehem (@kletskous op Twitter) ging direct op zoek naar de broncode van de zoekmachine, maar die was niet beschikbaar. Dat maakt het ook lastig om de privacyclaims te verifiëren. Joost Geraets nam maar gelijk contact op met Gabriel Weinberg, de ontwikkelaar.
Gabriel maakte duidelijk dat DuckDuckGo zelf geen open source programma is, maar dat onderdelen op termijn wel open source gemaakt zullen worden. De intentie is natuurlijk mooi, maar een beetje verduidelijking was wel welkom.
Joost vroeg vervolgens door op het gebied van privacy. Het antwoord is zeker positief te noemen. Gabriel wil de gebruikers overtuigen van de goede intenties en staat open voor een onafhankelijke audit.
We hebben de ontwikkelaar ook een ander idee aangereikt. Als je toch gebruik maakt van vrije en open source software, en daar een commerciële onderneming op gaat bouwen, waarom dan niet iets terug geven. Als het geen code kan zijn, waarom dan niet gelijk een vast percentage van de omzet of winst. Dat idee werd ook maar gelijk bij Gabriel neer gelegd. Zijn antwoord:
Oh. Wow I just read this after independently thinking this very thought this morning. Actually I was thinking 10%, of which 25% would be the ones ddg uses and 75% directed to foss projects determined by the users. How do those numbers strike you?
Als ik dit zo lees, dan mag DuckDuckGo nog groter worden dan Google. Dit is precies in lijn met een artikel dat ik recent heb geschreven: ‘Hoe kan ik bijdragen’. Wat mij betreft zou dit een standaard moeten zijn voor bedrijven en overheden die wel van vrije en open source gebruik willen en kunnen maken, maar niet direct op een andere manier kunnen bijdragen.
Leuk, om zo samen te werken met Catharina en Joost. And congrats to Gabriel, for being open.
Deze week heb ik weinig tijd om aan Open Barrières te werken, maar vertel dat mijn hersens maar eens. Het creatieve proces gaat gewoon door en dan word je wakker met de contouren van een volgend onderdeel voor het boek. Vandaag draait het schrijven rond twee observaties, twee gedachten die zich een aantal weken geleden in mijn geest hebben vastgezet:
- Ubuntu begint steeds meer op Windows te lijken, en
- Vrije en open source gemeenschappen kunnen trots zijn op hun gemeenschappen, maar Microsoft maakt software waar mensen mee willen werken.
Nu ben ik ook direct de eerste persoon om hier gelijk op af te dingen (nee, ik heb geen gespleten persoonlijkheid
), maar de observaties stimuleren het schrijfproces.
Door het werk aan de nieuwe Basiscursus Ubuntu 10.04 werd duidelijk welke verbeteringen de ontwikkelaars aan de distributie hadden aangebracht, onder andere via het Papercuts-project. Maar het viel ook op welke applicaties in de afgelopen twee, drie jaar nauwelijks zijn veranderd. Ik denk dan even aan programma’s als OpenOffice.org en Evolution. Natuurlijk zijn er verbeteringen aangebracht en ik ben ervan overtuigd dat het onder de motorkap veel betere programma’s zijn geworden. Ik schrijf echter voornamelijk voor eindgebruikers en die kijken niet onder de motorkap. Ubuntu doet er heel veel aan om de installatie en de eerste gebruikerservaring zo soepel en simpel mogelijk te laten verlopen. Er wordt hard gewerkt om de eigenaardigheden van het besturingssysteem naar de achtergrond te drukken en de gebruikers vervolgens met zo min mogelijk meldingen of opties te confronteren. Dit lag onder andere ten grondslag aan de observatie dat Ubuntu steeds meer op Windows begint te lijken. De vraag die ik nu voor Open Barrières wil beantwoorden is of dit wel een goede weg is. Is versimpeling van de open source desktop de juiste route om acceptatie door eindgebruikers te vergroten? Is het goed om een Ubuntu manual te schrijven waarin wel het ‘hoe’, maar slechts in beperkte mate het ‘waarom’ een plaats heeft? Verliezen we dan niet het -voor mij belangrijker doel- van het verschaffen van vrijheid aan gebruikers uit het oog?
De tweede gedachte hangt hiermee samen. Een distributie als Ubuntu is in hoge mate afhankelijk van wat elders aan ontwikkeling wordt verricht. Na de soepele en simpele installatie, en het afconfigureren, moet een gebruiker het dagelijks werk kunnen doen. Programma’s als OpenOffice.org, Evolution, Empathy, Firefox, Gwibber en Rhythmbox zijn prima programma’s. Met meerdere Ubuntu-desktops in huis komen ze dagelijks voorbij, maar meer en meer loop ik dan wel tegen grenzen aan. Als ik serieus schrijfwerk moet verrichten dan gebruik ik OpenOffice.org niet meer, maar LyX. Als dat schrijfwerk de fase van redactie in gaat en de opmaak wat complexer wordt, dan schakel ik regelmatig genoeg over naar Office 2007. Evolution heeft al plaats moeten maken voor GMail. Gwibber vreet systeembronnen en kan niet op tegen het gemak van Hootsuite of Seesmic. Firefox begon ooit als een afslanking van Mozilla, maar als ik nu een slanke en snelle browser wil hebben dan kies ik voor Google Chrome. Gelukkig heb ik door het gebruik van open standaarden en vrije en open source software de keuze om te switchen. Maar bekijk het eens van het perspectief van een beginnende gebruiker die voor het eerst kennis maakt met de open source desktop.
Kijk dan ook eens naar Apple. Gesloten hardware, gesloten software, gesloten ecosysteem, hardware die zeker bij vroege generaties minder presteert dan andere producten in het marktsegment, maar gebruikers slikken het zonder al te veel problemen. Ja, wij, als vrije en open source nerds gaan mopperen (om vervolgens toch iets te mompelen als ‘het ziet er wel strak uit’). Ergens blijft een kloof bestaan tussen de enorme creativiteit van vrije en open source ontwikkelaars en dat wat gebruikers graag willen gebruiken. Behalve als gebruikers niet weten dat hun apparaatje op Linux draait, wat weer de vraag oproept waarom die kloof in dat soort gevallen is verkleind? En wat kunnen we daarvan leren voor de open source desktop?
Vragen, vragen. En ik heb helemaal geen tijd om ze deze week te beantwoorden.
Het Open Source Jaarboek 2009-2010 staat stil bij de promotie van open source op de Curaçao. Deze aandacht werd ingegeven door een toespraak van Frits Goedgedrag, gouverneur van de Nederlandse Antillen. In zijn toespraak besteedde hij aandacht aan de meerwaarde van ‘open’:
De realiteit is dat onbaatzuchtigheid werkt! Recentelijk is vastgesteld, dat het eigenlijk beter voor ons is, als we samenwerken en delen, dan wanneer we alleen aan onszelf denken en weigeren anderen bij te staan. Een voorbeeld hiervan is te vinden in de computerwereld. Bepaalde software-ontwikkelaars houden hun gegevens niet geheim, ze beschermen wat ze hebben ontdekt niet angstvallig, maar ze delen hun informatie vrijelijk en maken hun programma’s gratis beschikbaar, zodat anderen het kunnen gebruiken en ook verbeteringen mogen aanbrengen.
Een persbericht van de Universiteit van Dartmouth bevestigt de kracht van onbaatzuchtigheid met betrekking tot Wikipedia, de “open source” encyclopedie , waar mensen bijdragen leveren, zonder er zelf baat bij te hebben. Dit is opnieuw een voorbeeld waarin succes wordt bereikt door niet alleen gericht te zijn op overleven.
In het Open Source Jaarboek 2009-2010 staat een overzicht van wat de afgelopen jaren is bereikt op het gebied van open source op Curaçao, bij de overheid, in het bedrijfsleven en het onderwijs en bij het realiseren van een actieve gemeenschap. Ace Suares was een prima bron bij het schrijven van het artikel en hij doet nu ook alles om het jaarboek op de Nederlandse Antillen te promoten. Zo heeft hij een voorlopige Engelse vertaling van het artikel online gezet. Een versie in het Papiamentu is onderweg.
Gisteren stuurde Ace het bericht dat hij vandaag het boek mag aanbieden aan Frits Goedgedrag, waarmee de cirkel weer rond is.
Mijns inziens hebben kleine eilandeconomieën als Curaçao veel te winnen bij open standaarden en open source software. De eilanden van de Nederlandse Antillen en Aruba zijn prima ‘hubs’ voor internationale handel, kennisuitwisseling en communicatie. Door hun goede ligging ten opzichte van het Amerikaanse continent, door hun band met Nederland en de Europese Unie. Binnen de regering is ‘open’ in ieder geval geland, en dan is aan een belangrijke randvoorwaarde voldaan.
Vorige week ging ik in het artikel ‘Hoe kan ik bijdragen‘ in op het fenomeen dat ‘open’ en ‘gratis’ met elkaar verward worden. Jeroen Baten reageerde daar positief op en gaf aan dat waardering toch wel het minste was dat we mogen bijdragen.
Wat er gebeurd als die waardering uitblijft blijkt uit het volgende. Iemand, die wel alleen bij zijn nick Socialdefect kennen, was bezig met een boek over Linux.
Zoals sommigen van jullie misschien al wisten ben ik bezig met het schrijven van een Linux beginners cursus/installatie naslagwerk. Hiervan zijn nu alle hoofdstukken van het naslagwerk klaar, alleen de woordenlijst en appendix ontbreken nog. Gezien er al wel veel geinteresseerden zijn heb ik besloten om jullie alvast een voorproefje te geven in ruil voor jullie commentaar bv. wat zou je het liefst zien in de appendix? ontbreekt er nog iets? is alles duidelijk? etc. etc…..
Het boek zou onder een Creative Commons-licentie worden vrijgegeven.
De uiteindelijke officiele uitgave zal worden vrijgegeven onder een Creative Commons licentie en mag vrij gebruikt worden voor niet-commerciele doeleinden.
Een mooi initiatief toch? Maar het boek is niet meer online beschikbaar.
Helaas heb ik de download offline gehaald, gezien het bestand 577 keer is gedownload vind ik 3 reacties die me melden dat hun favoriete distributie niet vermeld word wel heel erg schraal commentaar.
Allemaal veel plezier met je gratis boek !!!!!
Dus, is gebrek aan waardering een barrière voor open of niet?
Het werk aan het nieuwe boek Open Barrières levert soms wat snippers en paragrafen op, door het samen trekken van gedachten, door het beantwoorden van vragen. Zo kreeg ik eerder deze week de vraag wat ik dacht van het gebruik van het begrip ‘hergebruik van software’ rond het actieplan Nederland Open in Verbinding, in plaats van open source software. Is dit een begrip dat simpelweg beter valt bij de verschillende beslissers bij overheden, of wordt het om een andere reden gebruikt? De vraag was voldoende om verschillende lijnen uit Open Barrières te koppelen aan signalen uit het open wereldje.
Mijn antwoord was al volgt (hier en daar wat redactie ten opzichte van het origineel):
Als ik de tekenen rond het actieplan goed zie, dan is volgens mij de hele ambitie al een tijd geleden losgelaten ten gunste van succesjes in de marge. Het tempo en het speelveld worden bepaald door de traditionele leveranciers (het gaat immers om hergebruik van hun software), met een invoering van open standaarden (met de snelheid van een gletsjer, en liefst voor zo min mogelijk standaarden). Dat is de harde kern,
De open gemeenschap en open leveranciers mogen in de marges en niches hun ding doen (al moeten ze dan niet al te kritisch zijn ten aanzien van de kern), maar het zal nog lang duren voordat open leveranciers in de business-critical processen een voet aan de grond krijgen.
Tussen nu en eind 2011 zal vast nog wel worden ingezet op acties die de scores van het beleid opkrikken (bijvoorbeeld OpenOffice.org en Firefox installeren naast de bestaande pakketten, zegt namelijk niks over het daadwerkelijke gebruik).
Bestaande gesloten leveranciers met hun marktposities en netwerken zullen ‘open’ met de mond gaan belijden. Het wachten is op het vrijgeven van modulen als herbruikbare software door Centric en Getronics, geen ‘open core’ maar ‘open marge rond een proprietary core’. Voldoende om het programmabureau en de bewindsleden de ruimte te geven voor een PR-verhaal dat er echt schot in zit. En met genoeg traditionele open source voorvechters die in ruil voor een gesprek met de bewindspersoon (dan mag je jezelf namelijk adviseur van de regering noemen) de progressie verdedigen, met een obligate aanval op Microsoft (uitgetikt op de Macbook) om de kritische OSS-achterban tevreden te stellen.
Toegegeven, er worden wat bochtjes afgesneden. Maar in hoofdlijnen denk ik dat dit wel eens de eindbalans van het open standaarden- en open source beleid zou kunnen zijn. Is dat erg? Is het slechts het maximaal haalbare binnen de looptijd van het actieplan? Of worden in deze jaren toch de fundamenten gelegd voor een meer open ICT bij de overheden, bij de publieke sector?
Het ‘huis van Thorbecke‘ wordt nogal eens van stal gehaald om te verklaren waarom het niet zo lekker vlot verloopt met het open standaarden- en open source beleid (of de uitvoering van het NUP). Staatssecretaris Bijleveld haalde het Nederlandse staatsbestel onlangs ook maar eens bij.
Het huis van Thorbecke, de architect van ons staatsbestel, staat immers nog steeds recht overeind. Het is een typisch 19e eeuws patriciershuis, solide en onverzettelijk. Er is in de loop der tijd wel centrale verwarming aangelegd en er zijn zelfs een paar zonnepanelen op het dak gezet. Verder zijn er wat kamers opgedeeld, maar het is nog steeds het huis van een oude notaris. Er zijn dan ook heel wat jonge architecten en snelle makelaars die niets liever zouden willen dan de boel opdelen en van de hand doen. Ik zelf ben daar geen voorstander van. Ik denk dat we niet moeten beginnen bij hoe we de boel kunnen verbouwen, maar bij wat de bewoners nodig hebben. Ik houd van veranderingen als ze nodig zijn, niet alleen omdat ze kunnen.
Ik werk ondertussen aan een nieuw artikel voor Open Barrières dat ik vooralsnog ‘Onderhuur in het huis van Thorbecke’ heb gedoopt. Een onderhuurder heeft over het algemeen weinig te vertellen en dat gevoel krijg ik ook als ik hoor dat het Nederlandse staatsbestel nu eenmaal is als het is, en dat we het er maar mee moeten doen.
Tja, dan kijk ik als historicus even terug in de tijd, naar het cruciale jaar 1848. Van het algemeen kiesrecht was nog geen sprake. Vrouwen werd helemaal niet gevraagd wat zij van zaken vonden. Studeren was voor hen niet nodig en tot redelijk recent kregen vrouwelijke ambtenaren bij hun bruiloft een ontslagbrief kado. Indonesië heette nog vertrouwd Nederlands Indië en de Antillen waren nog een kolonie onder het gezegende leiderschap van Nederland. O ja, de slavernij bestond ook nog. Nederland was vrij laat met het wettelijk afschaffen van de notie dat mensen een persoonlijk en zakelijk bezit konden zijn. Dat gebeurde op 1 juli 1863.
Ongetwijfeld heeft de staatssecretaris niet aan al deze dingen gedacht toen ze bij het ‘huis van Thorbecke’ sprak over het aanleggen van centrale verwarming en het aanbrengen van wat zonnepanelen. Evenmin als een aantal jaar geleden werd gesproken over het herstel van VOC-mentaliteit, iets wat niet echt lekker viel gezien de relatie met de slavernij. De afschaffing daarvan is gisteren overigens herdacht.
Gelukkig zijn er in de afgelopen 150+ jaar genoeg mensen geweest die vonden dat fundamentele vrijheden voor meer mensen moesten gelden. Maar de vraag is natuurlijk of Open ICT daar ook bij moet horen? Die vraag probeer ik te beantwoorden in Open Barrières.
Het onderstaande is een reactie in een lopende discussie in de NOiV LinkedIn groep. Die discussie is echter pas te volgen na aanmelding voor de groep. Waar ik terugverwijs naar eerdere bijdragen zal even naar die groep gegaan moeten worden.
Sinds het uitkomen van mijn eerste boek (Probleemloos overstappen op Linux) wordt met enige regelmaat de vraag gesteld of en waarom een van mijn boeken niet gratis te downloaden is, waarom het niet onder een Creative Commons-licentie is vrijgegeven of waarom het niet onder een vrijere Creative Commons-licentie is vrijgegeven. Dit gaat dan gepaard met de impliciete of expliciete beschuldiging dat ik niet eerlijk en open ben, niet echt een goede vertegenwoordiger van het open gedachtegoed. De discussie die door Jan Willem wordt aangezwengeld is dus niet nieuw, met inbegrip van de beschuldiging.
Er worden hier wel een paar dingen door elkaar gehaald. Voor alle duidelijkheid: ik ga hier niet in op de keuzen die specifiek voor het Open Source Jaarboek zijn gemaakt. Ik wil het graag wat breder trekken.
Jan Willem, je haalt hier het licentiemodel, het verdienmodel, het marketingmodel en het distributiemodel door elkaar. Je spreekt over publicaties onder Creative Commons en onder het traditionele licentiemodel. Een boek onder het traditionele model met effectieve marketing waarbij ex ante gratis content (al dan niet afkomstig uit het uiteindelijke boek) beschikbaar wordt gesteld lijkt voor jou hetzelfde als het beschikbaar stellen van een gratis boek en een niet-gratis boek onder een Creative Commons-licentie. Daarnaast verwar je open source software-licentie met Creative Commons-licenties. Creative Commons-licenties vereisen niet het als download beschikbaar stellen van brondmaterialen.
In het geval van een boek lijkt me dat trouwens interessant. Van mij mag je alle bronmaterialen hebben, maar dat komt dan neer op ruwe cijfers en elders gepubliceerde rapporten en artikelen. Het compileren van broncode om zodoende het programma te verkrijgen is toch een iets ander proces dan de creatieve verwerking van bronmaterialen tot een interessante tekst.
Als ik kijk naar de verschillende succesverhalen rond Creative Commons-werken dan vallen een paar hoofdlijnen op. Op de eerste plaats lijkt het voor auteurs die institutioneel met een onderwerp bezig zijn eenvoudiger om hun werk onder een Creative Commons-licentie vrij te geven (en gratis te laten downloaden). Het gaat om auteurs die bijvoorbeeld al door de overheid of onderzoeksinstellingen worden betaald voor hun werk en het werk is dan een andere publieke weergave van hun taak.
Op de tweede plaats lijkt het voor artiesten die al onder het traditionele model een grote fanschare hebben opgebouwd eenvoudiger om een volgend werk onder een Creative Commons-licentie vrij te geven. Naast de gratis downloads zijn er premiumuitgaven die voor de echte fans de moeite waard zijn. Ik kom nog zelden artiesten tegen die vanaf het eerste moment een commercieel succes hebben geboekt met uitsluitend werken onder een Creative Commons-licentie (maar ik laat me graag verrassen).
Op de derde plaats lijkt het een verschil uit te maken in welk taalgebied je schrijft. De grote successen die links en rechts worden genoemd komen voornamelijk uit het Engelse taalgebied, waarbij je dan enerzijds een enorme hoeveelheid gratis downloads ziet met een relatief klein percentage betaalde downloads/verkopen. Maar omdat de markt zo groot is, wordt het toch een aantrekkelijke uitgave (in commercieel opzicht dan).
Nu kun je natuurlijk stellen dat je bij werken in het open domein eigenlijk niet mag spreken over commercieel succes, dat je als auteur de morele plicht hebt om het werk gratis beschikbaar te stellen (ik ben al eens corrupt genoemd omdat ik dat niet voor al mijn werk deed). Maar bedenk dan ook eens het volgende.
Na een aantal boeken te hebben geschreven kan ik wel wat gegevens bij elkaar schrapen. Het schrijven van een nieuw boek kost mij tussen de 150 en 200 uur. Dat staat los van de promotie die bij de vrijgave van een boek hoort. Deze tijd staat ook los van al het andere werk dat door mij (en talloze anderen) in het open wereldje wordt verricht. Het grootste deel van mijn creatieve werk (artikelen, columns, presentaties) wordt onder een Creative Commons-licentie vrijgegeven en is gratis beschikbaar. Het werk waar inkomsten tegenover staat is derhalve een klein deel van het totale werk in het open domein (misschien handig om in gedachten te houden als we het over ‘eerlijk’ hebben). Dit geldt voor zo’n beetje iedereen in het open domein, dus niets bijzonders eigenlijk.
Qua inkomen levert een boek pakweg 1500 euro bruto op, en dan komt de belastingdienst langs. Dat bedrag kan hoger zijn als ik zou kiezen voor een uitgave in eigen hand, maar dan praat je wel over een vrij forse voorinvestering. Voor mij niet haalbaar. Een bevriende fotografe heeft er net een fotoproject van 2 jaar op zitten en legt nu de laatste hand aan het bijbehorende boek. Zij steekt zich fors in de schulden om het boek mogelijk te maken. Als de verkopen tegenvallen is ze nog jaren bezig om die investering terug te verdienen. Het maken van een fysiek boek kost geld, en moet dus wel ergens terugverdiend worden.
Zodra een van mijn boeken uitkomt begint het feest pas echt. Dan komen de mailtjes binnen met verzoeken of een lezing of presentatie wil houden, bij voorkeur over onderwerp X, op locatie Y. In de afgelopen jaren heb ik twee lezingen kunnen houden waarvoor in ieder geval mijn reiskosten terug heb gekregen. In het ergste geval werd mij op voorhand aangegeven dat ik zelf mijn koffie moest betalen. In de meeste gevallen gaat het om organisaties en groepen in den lande die simpelweg geen geld hebben, maar wel snoeihard werken om ‘open’ op de kaart te zetten. Het maken van een nieuwe presentatie kost, afhankelijk van het onderwerp, tussen de 8 en 20 uur. Voeg daarbij de reistijd en reiskosten en je snapt waar de meeste inkomsten vanuit de boeken naartoe gaan.
En dat is mijn businessmodel: de inkomsten uit de commerciële uitgaven zijn bedoeld om de kosten voor open source promotie af te dekken. Overigens was dat pas in 2009 voor het eerst het geval. Tot die tijd lagen de uitgaven hoger dan de inkomsten.
Ik klaag niet, zeker niet omdat ik weet dan sommigen al 10, 15 jaar bezig zijn om ‘open’ in Nederland te promoten en daar heel wat meer tijd en geld in hebben gestoken. Maar het prikkelt wel als zo makkelijk wordt gesproken over ‘eerlijk’ en over ‘open businessmodellen’ waar nu eenmaal niet altijd iets te verdienen is. Goede voorbeelden zijn prima, maar in veel gevallen is het dan ook nuttig even wat verder te kijken en vast te stellen waar het verdienmodel dan wel ligt. Mijn derde boek in 2009 had niet voor niets de ondertitel ‘Voor niets gaat de zon op?’. Of het nu gaat om open source of open content, er zijn kosten verbonden aan de productie en/of distributie en die kosten moeten ergens duurzaam worden afgedekt om de continuïteit te waarborgen. Een groot deel van het werk binnen het open domein wordt gedaan vanuit idealisme, dat is een van de mooie kanten er van. Maar het zou de gebruikers van dat werk sieren als de eerste vraag niet zou zijn: “Waar kan ik het downloaden?”, maar “Hoe kan ik bijdragen?”.
Meer hierover trouwens in mijn volgende boek dat als titel heeft ‘Open Barrières’ (uit te geven onder een Creative Commons-licentie én gratis te downloaden).
Met de vrijgave van het Open Source Jaarboek en mijn presentatie ter gelegenheid daarvan wordt een periode afgesloten, een periode waarin ik mij voornamelijk in het open domein heb bewogen.
Vandaag heb ik weer wat dingen gehoord die voldoende inspiratie bieden voor een paar pittige columns. Zoals het geluid dat het programmabureau NOiV niet blij was dat ik vandaag een presentatie zou geven, hetgeen past bij eerdere signalen over hun mening over mijn werk voor het Open Source Jaarboek (op voorhand al als ‘opnieuw een politiek stuk tegen het programmabureau’ omschreven). Een onafhankelijk en kritisch volgen van het werk van het programmabureau wordt door een aantal mensen daar klaarblijkelijk niet op prijs gesteld. Zoals de opmerking dat sommige vertegenwoordigers uit het open domein tegenwoordig geslotener zijn dat vertegenwoordigers uit de traditionele gesloten wereld. Zoals de opmerking van een aanwezig Tweede Kamerlid dat ICT meer als beheer dan als cruciaal gezien wordt, wat maar laat zien hoeveel werk er nog verzet moet worden om open ICT hoger en beter op de politieke agenda te krijgen. Zoals de constatering dat het streven naar openheid en transparantie stuk loopt op het Nederlandse staatsbestel (het ‘huis van Thorbecke’).
Maar die columns komen er niet. De spindoctors van de uitvoering van het NOiV-beleid mogen wat mij betreft de vlag uithangen, een vreugdedansje rond hun Apple-bakken draaien en elkaar feliciteren met het behaalde resultaat. Niet dat jullie er iets mee van doen hebben, maar jullie hebben al zo veel plezier in het scheppen van een schijnrealiteit dat ik graag een steentje bij draag. En jullie hoeven verder niet zenuwachtig op de nagels te bijten, in afwachting van wat ‘die Stedehouder’ nu weer gaat schrijven in een zure column. Want ‘zuur’ was toch een van de kwalificaties?
Wat ik wel gaan doen is het schrijven van een nieuw boek met als titel ‘Open Barrières’. In Open Barrières verzamel ik zo’n beetje alle columns die de afgelopen drie, vier jaar zijn geschreven voor Digiplace, voor Transparante Zaken en op mijn eigen site. De eerste ruwe selectie heeft al plaatsgevonden. De afgelopen jaren heb ik heel wat woorden aan het internet toevertrouwd met meningen over het onderwijs, open gemeenschappen, het open source beleid, over het toerusten en begeleiden van gebruikers, etcetera, etcetera.
Maar Open Barrières wordt niet slechts een bundel columns, want bij ieder onderwerp komt een nieuw artikel met als leitmotiv: ‘Welke barrières zijn er voor echte openheid? Waarom loopt het soms zo moeizaam met open?’. Natuurlijk, er zijn successen, er is vooruitgang in het open domein, maar in vergelijking met het buitenland lopen we niet echt voorop. Waarom is dat?
Het idee voor Open Barrières ontstond toen ik begon na te denken over wat ik verder wil gaan doen en besefte dat de contouren voor die richting al zichtbaar waren in meer recente columns en presentaties. Met dit boek pak ik alle draden samen, voor een deel als afsluiting, voor een ander deel als nieuw begin.
Het boek wordt vrijgegeven onder een Creative Commons-licentie en verschijnt naar alle waarschijnlijkheid begin augustus, of eerder. Tijd om met nagelbijten te beginnen
